Een goeie vriend kwam tot een teleurstellende ontdekking toen hij de Blu-Ray van ‘From Russia with Love’ zag: het in die tijden nog geen dertigjarige Bond-schoon verried dankzij het hogedefinitiebeeld een behoorlijke dosis celluliet op de bil. Als je ze op Blu-Ray afspeelt, zien filmklassiekers als The Godfather, From Russia with Love, Blade Runner, The French Connection en Bambi er dan ook uit alsof ze gisteren pas werden opgenomen. Dat komt omdat de Blu-Rayuitgaven van de meeste van die films het resultaat zijn van een doorgedreven digitale restauratie, waarbij het origineel beeldpunt per beeldpunt werd verbeterd.
Wanneer een film in de bioscoopzalen wordt gelanceerd, worden er een paar duizend kopieën gemaakt vanaf een duplicaat van het originele negatief, dat wordt bewaard in de kluizen van de filmmaatschappij. Maar ten tijde van de eerste twee Godfathers werden de distributiekopieën nog gemaakt op basis van het originele negatief zelf, dat recht van de montagetafel kwam. The Godfather is bovendien niet zomaar een film: gedurende de jaren ’80 werd hij enkele malen opnieuw gelanceerd in de cinema, met nieuwe kopieën die telkens weer vanaf dat originele negatief werden gemaakt. Dat geraakte daardoor zo verweerd dat het onbruikbaar werd: de vhs-versie van de film in de jaren ’80, en de dvd-box die in 2001 verscheen, werden al vanaf een kopie gemaakt.
Toen Coppola zijn twee Godfather-films liet restaureren, moesten de restaurateurs van filmmaatschappij Paramount eerst het originele negatief oplappen, zodat het éénmaal door een filmscanner kon worden gehaald. Dat alleen al was een zware klus: sommige filmspoelen waren zodanig vermangeld dat ze ondertussen met tape terug aan elkaar waren geplakt, en haast het volledige negatief hing vol met scheurtjes en vlekken. Eén filmspoel was zelfs verloren geraakt, en vervangen door een duplicaat.
Maar eens nadat verstevigde negatief was ingescand, was het eigenlijk niet meer nodig: het resultaat van die scanoperatie was een soort ‘digitaal negatief’, van waaruit de echte restauratie pas kon beginnen. Hedendaagse filmrestauraties gebeuren namelijk niet meer met de blote hand, maar op een computer. Eerst worden de ingescande spoelen verdeeld in individuele digitale frames, die vervolgens allemaal worden onderzocht op de sporen van fysieke beschadiging, scheurtjes, viezigheid en verkleuringen. Die worden vervolgens allemaal – meestal via geautomatiseerde processen – weggewerkt: op de plaats waar de beschadiging zich bevindt, wordt gewoon informatie uit een paar beelden ervoor of erna geplakt.
Tot slot volgt het belangrijkste deel van het proces: de kleuren van elk beeld worden – pixel per pixel – door de computer geoptimaliseerd om te worden bekeken in hoge definitie. Dankzij dat laatste procédé werden de kenmerkende kleuren van de eerste Godfather opnieuw tevoorschijn getoverd, en werd het ook toegepast op het iets minder verweerde negatief van The Godfather: Part II (1974), en op het nog zo goed als intacte negatief van The Godfather: Part III (1990), dat een standaard digitale ‘remastering’ kreeg.
Die restauratie maakt van de Godfather-collectie een ‘must-have’ voor wie thuis een Blu-Ray-speler en een aangepaste hd-televisietoestel heeft staan. Maar het is niet de enige filmklassieker die de afgelopen maanden een nieuw leven kreeg op Blu-Ray. Ook andere klassiekers als de Planet of the Apes-reeks, Blade Runner, The French Connection, een aantal van de vroege James Bond-films en de klassieke animatiefilms van Disney werden, danig digitaal opgelapt, op een Blu-Rayschijf gezet. Bij de meeste van die films is het resultaat even verbluffend als bij de Godfather-collectie: via de wonderlijke hogedefinitiebeelden die de blauwe schijfjes leveren zien klassiekers er even mooi, of zelfs mooier, uit dan toen ze de eerste keer werden vertoond in de cinema. Dat komt in de eerste plaats omdat er op een Blu-Ray vijf keer zoveel pixels per beeld kunnen worden opgeslagen dan op een dvd: alles kan dus met meer detail worden weergegeven. Gezichten vertonen meer rimpels, gelaatstrekken en textuur, en zien er dus ook merkbaar expressiever uit. Snel bewegende voorwerpen worden duidelijker weergegeven. Kleuren zijn veel warmer.
Een andere reeks Blu-Rayuitgaven waarbij er een merkbare verbetering te zien is ten opzichte van de dvd’s, zijn een aantal klassieke James Bond-films die eind vorig jaar op Blu-Ray werden verdeeld. Zeker bij de eerste drie films uit die reeks, drie van de zes prenten waarin Sean Connery nog gestalte gaf aan de Britse gentlemanspion, werd er deftig gerestaureerd. De kwaliteit van de allereerste Bondfilm, Dr. No, is verbazingwekkend, zeker als je bedenkt dat die film destijds met een relatief klein budget (een miljoen euro ongeveer) werd gedraaid. Dankzij de ingrepen van het Amerikaanse filmrestauratiebedrijf Lowry Digital ziet de Blu-Rayversie van de film er zelfs beter uit dan degene die in 1962 in de cinema werd gelanceerd. De scène waarin oer-Bondgirl Ursula Andress uit een caraïbisch strand opduikt, en die op zich al het collectieve geheugen van de cinemaganger heeft gehaald, ziet er op Blu-Ray nog onvergetelijker uit.
Opvolger From Russia With Love (1963) mocht, dankzij het succes van Dr. No, al heel wat meer kosten, en ziet er ook op Blu-Ray weer bijzonder goed uit. Hetzelfde kan worden gezegd over Live and Let Die (1973), de eerste Bond-film met Roger Moore. Alleen de Blu-Raybewerkingen van For Your Eyes Only (nog een Bond-prent waarin Roger Moore de hoofdrol speelt) en Thunderball (de vierde Bondfilm met Connery, uit 1965) vallen wat tegen: de eerste ziet er even flets uit als de versie die op dvd verscheen, en bij de tweede hebben de restaurateurs sommige sequenties blijkbaar gewoon vergeten op te kalefateren. Het geheim achter al die digitale restauraties is een procédé dat de restaurateurs ‘4K Scanning’ noemen: het beeld dat uit het negatief wordt ingescand wordt aan 4.096 beeldpunten per lijn geregistreerd (bij een gewone digitale videocamera worden traditioneel maar een paar honderd beeldpunten per lijn opgenomen), waardoor er een fimbestand ontstaat dat in essentie een digitale kopie van de originele filmspoel is. “Alle visuele informatie die op het negatief staat, letterlijk elk puntje, is ook opgeslagen in de digitale kopie”, zegt Alan Silvers, directeur business development bij het Amerikaanse filmrestauratiebedrijf Lowry Digital. “Er is – letterlijk – helemaal niets verloren gegaan. Elk beeldpunt dat destijds op het negatief werd gezet kan met de computer worden bewerkt.”

“Die benaming ‘Blaxploitation’ is gefabriceerd door Hollywood. Mensen zagen in films als ‘Foxy Brown’ voor het eerst een Afrikaans-Amerikaanse vrouw die niet op haar kop liet zitten. Maar voor mijzelf, en voor de omgeving waar ik vandaan kwam, was die zelfzekerheid iets heel natuurlijks. Ik kende gewoon niet die serviele rol die zwarte acteurs in Hollywood blijkbaar moesten spelen. Met die ‘attitude’ kwam ik vervolgens als jonge twintiger in de stad aan, en ik merkte meteen dat men dat niet gewend was. Het kwam misschien wel op het goeie moment: de filmindustrie zat toen nog in een fase waarin de houding tegenover Afrikaans-Amerikaanse acteurs aan het groeien was. Maar volgens mij had men de boodschap een film of twee, drie later al wel begrepen.”
Nadat ze vijf jaar lang de endeldarm van de Amerikaanse samenleving hadden geëxploreerd in het fantastische The Wire grijpt het producentenduo David Simon en Ed Burns deze keer die andere rijpe zweer in de American Dream aan: de Amerikaanse bezetting van Irak. Generation Kill is eerder een reeks van zeven telefilms dan een waarachtige tv-serie, en behandelt de onzekerheid van Amerikaanse mariniers die het Midden-Oosterse land binnenvallen met een boude, journalistieke precisie. De afleveringen getuigen van een nauwelijks te overziene chaos, alsof de makers je de onzinnige gruwelen van de oorlog niet alleen willen tonen (wat overigens òòk gebeurt), maar je ze ook tot in het diepste van je wezen willen laten voelen. Alle zekerheden van de tv-kijker worden overboord gegooid in Generation Kill, net als – indien je het punt hier nog niet begrepen had – in de oorlog zelf: verhaallijnen lopen door elkaar en gaan zelden écht ergens naartoe, conversaties zijn opzettelijk verstokt van drama, en zelfs de duurtijd van de afleveringen is niet vast bepaald. Net zoals… Je snapt het al. Een reeks die zich als een rottweiler in je strottenhoofd vastbijt.


Eventjes denk je: dat wordt niets. Twee mensen (een psychiater, gespeeld door rasacteur Gabriel Byrne, en diens vier verschillende patiënten) die een half uur lang tegen elkaar zitten te zwetsen, zonder dat de actie zich buitenshuis verschuift. Maar de aardige timingtrucjes in de gewaagde HBO-serie In Treatment (de intro van de eerste aflevering duurt enkele seconden, en toont gewoon een vrouw die in tranen uitbarst) houden je lang genoeg in het zadel tot je de onderliggende thematiek begint te appreciëren. En vanaf dat moment ben je wég. Je trekt je het lot van de vier patiënten in geen tijd aan: een vrouwelijke spoedarts die verliefd is op Byrne’s personage, een luchtmachtpiloot die zich komt afvragen waarom hij geen gewetenswroeging heeft, een al dan niet suïcidaal tienermeisje dat al dan niet een relatie heeft met haar veertigjarige coach, en een koppel dat worstelt met de vraag of ze het kind waarvan de vrouw zwanger is nog wel willen. En daarna komt, elke vijf afleveringen, de climax: Byrnes personage, dat zelf in een zware ziels- en huwelijkscrisis zit, vertelt bij zijn eigen shrink welke miserie de verhalen van zijn vier patiënten bij hém allemaal lospeutert. Waar blijven jullie, Canvas?
